Wetiko

Wetiko

Opgroeiend had ik terugkerende nachtelijke dromen over parkieten in kooien, in allerlei kleuren en maten. Parkieten die ik vergat te voeren, in het donker had laten staan of uit had laten drogen. Altijd de schrik, leven ze nog? Ben ik op tijd? En altijd de drang ze te bevrijden, zo snel mogelijk. Opgroeiend als jong volwassene herkende ik al snel een bepaalde kramp in mij, iets dat kapot leek. Een lus waarin ik vast kwam te zitten, verlossing leek te zoeken in vernietiging, beweging in stilstand en veiligheid in chaos. Maar met de herkenning kwam geen bevrijding. Ondanks dat ik voelde hoe vrij ik kon zijn voorbij de schaamte, voorbij de schuld, voorbij de beperkingen die ik mezelf oplegde, leek de angst daar doorheen te breken vernietigend, de leegte daaronder verpletterend en het donker te zuur, te zwaar, te veel. Dus hervatte ik mijn lus en vulde ik mijn rugzak met steeds meer stenen, splitste ik delen af om met mezelf te kunnen leven, deed ik mijn hart dichter in de wanhoop om liefde te kunnen ervaren. Een vervreemdend schimmenspel. In mijn vlucht naar verlichting bleek ik in staat tot zelfvernietiging. Wat ik wilde voorkomen, leek ik vol overgave uit te leven in de hoop dat het stopte, in de hoop het op te lossen. Met steeds hetzelfde resultaat bleef ik rondjes rennen, gekkenwerk. Een tragisch tafereel. Ik begon te herkennen hoe ik bereid was om genoegen te nemen met steeds minder, genoegen te nemen met bijna niets. Te bang om te leven, te bang om te voelen, te bang, te bang, te bang. En daaronder soms dat sprankje in mijn hart dat fluisterde over mogelijkheden, over hoop, moed en vrijheid. Een diep en pijnlijk verlangen naar echtheid, naar verbinding en waarheid.

Ik begon deze kramp te herkennen in de mensen, en op grotere schaal op wereldniveau. De zogenaamde oplossingen die op problemen werden geboden, maar enkel zorgden voor chaos, meer problemen, uiteindelijk zorgden voor destructie. Gif werd met gif bestreden, meer bloed werd verspild, een heilige democratie werd op landen gebombardeerd. Overvloed bestond tegenover schaarste, verspilling tegenover honger. Hoe wij als mensheid in onze overweldigende overlevingsdrang bereid waren elkaar en de aarde te vernietigen. Hoe wij als mensheid bereid waren elk facet van ons leven uit handen te geven voor zogenaamd comfort en veiligheid. Al onze vrijheden en kwaliteit van leven wilden opofferen vanuit doodsangst, die wij niet leken te herkennen als de angst om te leven. Iets leek kapot, niet alleen in mij, maar ook in de ander. De wereld leek kapot. Wij mensen, steeds verder afdrijvend van de natuur, van onze eigen natuur en van elkaar. Dromen werden begraven, verlangens ingeruild voor een ‘toekomst’ en zo splitsten wij als mensheid steeds meer van onszelf af om te passen, mee te doen in de lus die wij zelf keer op keer creëerden en omdoopten tot het ‘systeem’. Eenzaamheid, woede, pijn en machteloosheid werden weggestopt. Wrok, haat en eindeloos verdriet onbewust uitgeleefd in de wereld. Geprojecteerd op de ander, altijd de ander. Oorlogen sluimerden generaties lang in geesten, leugens werden meer en meer gelegitimeerd vanuit pseudowetenschap wat de nieuwste wereldreligie werd en mensen meer en meer ingeruild voor computers. Steeds meer hokjes om in te passen, om buiten te vallen, strengere regels, bergen papierwerk en rennen, rennen, rennen voor de huur, de hypotheek, de studie.

Ik begon steeds duidelijker waar te nemen hoe alles in deze wereld omgekeerd en verdraaid leek te zijn. Hoe mensen in hun lussen bevrijding zochten door nooit naar de wortel te gaan. En hoe de hele maatschappij, het hele systeem hierop gebouwd was. De mens die kapot was, vermaak zocht, afleiding nodig had, een roes verlangde, geluk afkocht. De mens als chemische disbalans die medicatie diende te nemen, disfunctioneel was, een stoornis had. De cognitieve rationele mechanische mens die enkel brein was, de wetenschap en het materialistische wereldbeeld als religieus dogma. De mens die zichzelf als product van een evolutie waande waarin de sterkste overwinnen moest, egoïsme en de honger naar macht werden menselijke waarden. Een geloof in de slechtheid van de mens ontstond, wetten en regels waren nodig, een overheid die voor ons zou zorgen. Over lijken gaan werd een weg naar succes, een oorlog de manier om tot vrede te komen en het weggeven van autoriteit zou moeten leiden tot vrijheid. Woorden droegen niet de betekenissen die zij behoorden te hebben, verwarring werd gezaaid. Wij mensen als mensheid, steeds verder afgedreven van de natuur, afgedreven van onze eigen natuur. Geld werd meer en meer een middel van controle, een middel van in de val. De mens met de baan, met het koophuis, de kinderen. Orders en bevelen opvolgend met alle gevolgen van dien, harten kregen geen stem meer, monden moesten gevoed. De mensheid op weg naar zelfvernietiging, een voortdurende loop waarin symptomen bestreden werden, maar de wortel verder rotte en wij van binnenuit meer en meer geïnfecteerd raakten. Maar onze baan, ons huis, de toekomst… De mens die krampachtig vasthield aan zelf gecreëerd lijden, de mens die liever blind was dan wijs, onwetendheid prees zolang comfort bestond. De waarheid meer en meer verdrongen, verguist en vermeden. Niet wetende dat de waarheid alles was, alleen de waarheid de mens bevrijden kon, opnieuw bestaansrecht kon geven.

Elk moment in mijn leven waarin ik eerlijk was en onder ogen kwam waar ik al die tijd voor gevlucht had, ontdooide ik een beetje meer, werd ik zachter en kon ik kiezen voor waar ik echt naar verlangd had al die tijd. Kon ik eindelijk uit een loop stappen. Wijsheid kwam met het terugkeren van de woorden; ‘ik had het verkeerd’. Waarheid werd het hoogste streven, kennis hierbij de richting gever. Natuurwetten die niet te omzeilen bleken vroegen om afstemming. Ik had iets te doen, te leren, ontdekken, en informatie met elkaar te verbinden. Mijzelf met mijn kern te verbinden om de ander te kunnen herkennen. Ik had mezelf te ontdoen van conditioneringen, onwaarheden en patronen. Ik moest het donker in, mijn schaduw ontmoeten, het kwaad in mijzelf erkennen. En zoals Hermetische wijsheid luidt; ‘As above, so below. As below, so above.’ De wereld die wij tegenkwamen buiten onszelf was een spiegel van onze binnenwereld. Hoe meer gespleten wij van binnen waren, hoe meer verdeeld wij als mensen werden. Het verrotte kwaadaardige systeem bleek een schreeuw om heling, een roep om herkenning van ons eigen kwaad. Zoals een mens in diepe pijn, verslaafd aan verdoving en op de vlucht van zichzelf, in staat was zichzelf compleet te vernietigen in de angst om te moeten voelen. Zo waren wij als mensheid in staat onszelf compleet te vernietigen om niet los te hoeven laten. Loslaten aan het oude wereldbeeld, mensbeeld, eigen beeld. Een illusie, zou achteraf blijken…

Loslaten van oude manieren van denken, voelen en leven, oude patronen en structuren. Loslaten van wrok, ballast en al die stenen in die rugzak. Wanneer wij als mensen blind bleven voor ons eigen kwaad, voor onze eigen verantwoordelijkheid en bijdrage aan de staat van deze wereld, zouden we nooit het kwaad kunnen (h)erkennen wanneer wij daarmee in aanraking kwamen. Zouden we leugens niet herkennen en instemmen met onze ondergang, instemmen met totale slavernij en kwaadaardigheid. Blind voor het geboorterecht van een mens, wezen of leven in vrijheid, daarmee kwaad assisterend. Dit ging om onze goddelijke natuur, binnen en buiten onszelf. Onze goddelijke natuur als moreel kompas, het fluisterende of schreeuwende geweten, de enige stem die wij te volgen hadden. En het werk was nooit af, de mens nooit perfect en opnieuw opbouwen ging met vallen en opstaan. Maar als mensen gingen staan voor waarheid en de waarheid als hoogste waarde plaatsten en daar al hun toewijding, tijd, aandacht en Wil in stopten. Dan assisteerde geen mens meer het kwaad, was geen mens onwetend en werd elk mens verantwoordelijk en soeverein. Ons onderbewustzijn wilde gezien worden door ons bewustzijn, ons donker bleek slechts afwezigheid van licht. Innerlijke gespletenheid toonde ons verdeeldheid. Een mens in harmonie met zichzelf was een mens in harmonie met de andere mens. Een mens in harmonie met de natuur, diens wetten en al het leven. Het leven dat altijd al heilig was. Een illusie leven deed ondragelijk veel pijn. ik was jij, al die tijd eenheid geweest. Slechts vergeten liefde te zijn geweest, al die tijd.

“The true miracle lies in our eagerness to allow, appreciate, and honor the uniqueness, and freedom of each sentient being to sing the song of their heart.”

“We all are so deeply interconnected; we have no option but to love all. Be kind and do good for any one and that will be reflected. The ripples of the kind heart are the highest blessings of the Universe.”

― Amit Ray, Meditation: Insights and Inspiration


Het leven wakker kussen

(door Floor) Hoe ik soms voel wat mensen denken als ik over onderwerpen spreek als buitenaardsen, het Levensveld, bewustzijn of mind control. Dat ik betekenis zoek, zingeving, een strohalm nodig heb om mij vast te houden te midden van alle chaos, al het lijden, al het gemis en alle leegte. Je leest het als bezorgdheid in hun ogen, het ongemakkelijke schrapen van de keel. Het is mij zelfs verweten in het verleden en dat een pil misschien een oplossing zou zijn. Hoe ik toen dicht klapte, wetend dat geen enkel antwoord mij vrij zou spreken van dit vonnis. Ik was waanzinnig, te zwak voor het leven, sektarisch misschien zelfs. Ik voelde me zo eenzaam op dat moment. Niemand nam het voor me op. Ik zelf niet eens.

Maar dat het andersom is, zoals alles in deze wereld andersom is. Ik ben nooit op zoek geweest naar betekenis of zingeving. Ik BEN één en al betekenis, ik ben eindeloze diepte, voel oneindige hartstochtelijke vreugdevolle zin en magische mysterie in mij. En deze wereld sluit niet aan. Het laat niets zien van wie ik ben en wat ik voel en dat heb ik mijn hele leven ervaren. Als klein kind al, verlangend om op te stijgen naar de hemel en te vliegen met de vogels. Te communiceren met de dieren, met de planten en de insecten die ik vond wroetend in de aarde met mijn mollige kleine handjes. Ik heb het Levensveld altijd gevoeld en op sommige momenten heel helder. Zo schreef ik eens op het strand; ‘er sluimert zoveel kracht in mij, zoveel mysterie’. Ik voelde een vuur in mij branden terwijl ik zittend op het zand uitkeek over de zee, een fles rode wijn in mijn hand.

Maar ook op de smerigste plekken heb ik haar herkend, diep verborgen in de donkerste krochten van wanhoop en destructie was zij als romantiek aanwezig, een nostalgisch gevoel, een klein verlangen, een groot verdriet. Maar hoe dieper ik zakte, hoe meer ik afdreef van mij, hoe luider de wereld in mij bulderde en hoe onbereikbaarder de stilte in mij. En juist in die stilte fluistert zij zachtjes. Het is als het dragen van een groot geheim dat geen woorden heeft, je zoekt het in de ander en noemt het onbereikbare liefde, je zoekt het in de alcohol, de sigaretten. Verlangt naar stilte en wilt je hoofd verliezen, even zo diep voelen dat je hoog en meeslepend leeft, dát je leeft. Je vindt het niet in de dagelijkse dingen, de aangeleerde beleefdheden, de sociale constructen, de maskers, de routine, de meningen en het jagen, jagen en jagen naar straks of later. Het dagelijkse leven voelt leeg, spiegelt niet het vurige verlangen in je hart, toont niet de vreugde en vrijheid die jij in je draagt. En altijd op de achtergrond dat onbestemde gevoel, een groot gemis, het gevoel van op slot gaan en langzaam sterven. Een vuur dat steeds meer dooft.

Tot het geheim woorden krijgt, het hoofd inzichten en het hart liefde voor het zelf. En dan op zoek naar de sleutel, van dat slot af, dat vuur brandend houden. Het leven opnieuw wakker kussen. Door de angsten heen, de schaamte, de pijn en het verdriet, door de zelfhaat, het verwijt, de schuld. Want ook dat voelen is leven voelen, niet voelen is doodgaan. Ik heb mijn leven lang gedroomd over parkieten in kooien. Ik vergat ze eten en drinken te geven. Soms vergat ik ze zelfs in de kelder, ze waren met tientallen. Soms dacht ik dat het met werk te maken had en ik me meer moest richten op een carrière of eindelijk uit die destructieve relatie moest stappen. Maar ze bleven verschijnen in mijn dromen, wekenlang zonder voeding op sterven na dood. Tot ik me besefte dat ik de parkieten ben, al het andere is afleiding.

Doen wat je voelt, uit je hart leven. Mooie uitspraken, maar wanneer doe ik wat ik voel? Ik kan voelen wanneer ik dat niet doe, het voelt als gevangen in mezelf, op slot gaan. Te bang voor contact met de ander, ik kruip in mijn schulp en wordt stiller, zet een lach op en verwijt mezelf mijn onvermogen, mijn lafheid, mijn schaamte, mijn masker en mijn nepheid. Of hoe ik op de ander gericht niet eens herken wat ik voel, wat ik nodig heb of wat ik verlang. Of de schuld die dat op slot zet, pijn vermijden en patronen leven. Al jaren ben ik bezig met zelfontwikkeling en deze onderwerpen en enkele weken geleden verscheen de parkiet weer, de parkiet in de kooi zonder eten, zonder drinken. En dat is precies hoe ik mij altijd heb gevoeld; als een parkiet in een kooi, al die tijd staat de deur open maar ik ben zo gewend aan die kooi dat ik blijf zitten, verlangend naar vrijheid zet ik mezelf vast.

Van de ene cognitieve dissonantie stap ik in de andere. Ik kan honderd keer zeggen ‘ik voel’ in plaats van ‘ik denk’ omdat mijn hoofd denken afkeurt maar uiteindelijk voel ik niets dan zelfverwijt, eindigt het elke keer in vechten met mezelf, zo moe van al dat vechten. Ik wil mijn leven lang iets zijn dat ik niet ben, vergelijk mezelf met anderen en zie daarom mezelf steeds niet, accepteer mezelf niet. Zoek antwoorden bij een ander waardoor ik mezelf nog minder vertrouw. Leef alsnog uit angst, krampachtig mijn echte gevoel onderdrukkend. Want ik moet verlicht zijn, moet aanwezig zijn in mijn bewustzijn en niet mijn persoonlijkheid, mag geen oordelen hebben. Dus slik ik woorden in, pas ik me aan. De stem in mijn hoofd die ik heb verinnerlijkt als zijnde mijzelf schreeuwt door mij heen met bulderend kritiek en destructieve zelfhaat en schept steeds nieuwe voorwaarden en condities. Een goed mens zijn, een bewust mens zijn, een onbevooroordeeld mens zijn, een open mens zijn, onmogelijke voorwaarden, onrechtvaardige verwijten.

Maar ik deel mijzelf vanaf nu niet langer in twee delen. Laatst dacht ik; ‘misschien is dit het wel gewoon’. En dan bedoelde ik mezelf, dit ben ik. Ik heb mezelf verloochent, weggegeven, pijn gedaan, miskent en vergeten. Ik heb anderen over mij laten beslissen wat ik moet doen, wat ik moet voelen en wat ik moet najagen. En dat doet pijn. Maar doen alsof is niet voelen, is geen vrijheid, is geen aanwezigheid. Ik voel een kracht in mij die sterker is dan alles wie ik dacht dat ik was in mijn denken, maar ook mijn pijn en mijn persoonlijkheid is deel van deze basis, is hiermee verweven, ook mijn donkerste kanten horen bij mij. En als ik niet voel wat gevoeld wilt worden kan ik nooit een ander voelen, zal ik altijd de ander buitensluiten, te bang om geraakt te worden. En hoe ik deze mechanismes herken ik het contact met andere mensen, hoe beschadigd wij mensen zijn in het aangaan van verbinding, zowel met onszelf als met de ander. Hoe wij spiritualiteit kunnen gebruiken als een schild tussen ons en de ander; ‘als je daar last van hebt dan moet je dat waarnemen’ of ‘je zit in je persoonlijkheid’. Maar kom niet te dichtbij, ik hou mezelf krampachtig bij elkaar… Jouw onvermogen herinnert mij aan het mijne.

Soms ben ik zo moe van mens zijn op deze wereld, zo moe van al het harde werken, het onvermogen, alle beperkingen en de vervuiling in hoe wij onszelf en elkaar ervaren. Hoe onze sociale constructies ons afdrijven van onszelf en van elkaar. En hoe ik mezelf steeds niet vertrouw. Verbonden zijn met mijzelf en de ander is mijn diepste verlangen en mijn grootste pijn. In mijn hart voel ik hoe vrij wij mensen eigenlijk zijn, hoe verbonden wij zijn en hoe prachtig wij zijn. Met onze diepe emoties, onze verlangens, onze eigenaardigheden en onze grilligheid. En hoe juist in onze persoonlijkheid, in de diepliggende patronen, de sluimerende pijnen en het angstige verborgen verlangen het leven schuilt, de kracht schuilt. En hoe alleen herkenning en erkenning het leven wakker kussen kan. Het vuur kan laten branden, ook in de donkerste krochten, juist daar. Daar heeft het leven zich verscholen.

©Floor el Omari 2021


Echo

Een land van ooit te missen in een land van nooit. De roep in mijn hart een echo van thuis, verdriet niet thuis te brengen. Maar de herinnering terug vergeten te zijn, ik bén de echo. Al die tijd slechts een echo te zijn. Ik als reactie, en als de ik wegvalt enkel dat wat reageert en geen enkel kader kent. Wonderen ontstaan als denken ontdooit en daar waar aandacht het leven wakker kust. Uit de illusie van af gescheidenheid ontmoet God enkel God, overal waar God gaat. Het leven te zijn dat alles verbindt in oneindigheid. En dat de wereld schudden kan en dat de mensen diep in slaap gesust het daglicht vrezen. Maar dat dit als waarheid open gaat. Dat deze waarheid altijd in elk moment het bestaansrecht is van mensen. Dat wij mensen de aarde zijn, het leven zijn, het begin zijn en geen einde kennen. Het leven een uiting is van wat de mens ten diepste is, de natuur een expressie van wat de mens ten diepste voelt en de dieren daarin dienstbaarheid wensen, al die tijd niet herkend als God. En dat wij mensen nooit alleen zijn geweest, niet in onze donkerste momenten, dat God altijd daar was. De zachte fluistering van het leven enkel overstemt werd door de echo van het gedachtegoed, maar altijd fluisterde ze zachtjes doch daadkrachtig; ik ben hier, ik ben overal in elk moment. In een andere taal wordt het vergeten zijn herboren, zowel hier als daar, nooit weggeweest. Enkel afgeleid door de de illusie iets anders te zijn, iets anders te moeten, te worden, te leren… Altijd werkwoorden, nooit slechts stilte. In onze vergetelheid en in onze miskenning van de diepte van ons hart hebben wij elkaar miskent, hebben wij het leven miskent. Hebben wij onszelf, de ander en het leven geweld aangedaan, vanuit onbegrip, vanuit onwetendheid, zelfs vanuit liefde. Maar dat ook in die miskenning het hart God heeft herkent. Nu het inzicht diep doordringt in elke cel God te zijn, het leven te zijn, brengt dit verantwoordelijkheid voor al het leven in elk moment. Met ogen van verwondering ontdooit denken en kunnen wonderen ontstaan, blinde ogen brengen met de beste bedoelingen de grootste destructie. En dat niemand schuld draagt, geen mens, geen wezen, niemand. Omdat wij vergeten en besmeurd een illusie leefden en puurheid streefden zonder het weten al die tijd puur te zijn. Dat wij mensen nu in elk moment met eerbied dit weten en het leven kunnen eren, met terugwerkende kracht onszelf en de ander kunnen zien, God die God ontmoet. Met verwondering het denken doen ontdooien zodat de wondere wereld van het land van ooit zich kan openen, zich kan tonen in een land van nooit. Slechts een echo te zijn geweest