- Dit onderwerp bevat 0 reacties, 1 deelnemer, en is laatst geüpdatet op 21 mei 2021 at 21:06 door Anna.
-
AuteurBerichten
-
-
21 mei 2021 om 21:06 #5018Anna@akrasko97
Vandaag best wel veel stukjes zitten lezen van Erich Fromm. In zijn boek (The Sane Society, 1955) spreek hij over autonomie, over vrij en niet slaafs zijn, over creëren, over niet tot robot te worden (gemaakt). Hier is een van de uitspraken, die me raakte.
Geestelijke gezondheid, in humanistische zin, wordt gekenmerkt door het vermogen om lief te hebben en te creëren, door het herrijzenis uit de incestueuze banden met het gezin en de natuur, door een identiteitsgevoel gebaseerd op iemands zelf-ervaring als subject en agent van je eigen kracht, door het begrijpen van de werkelijkheid binnen en buiten onszelf, dat wil zeggen door de ontwikkeling van objectiviteit en rede. Het doel van het leven is om intens te leven, volledig geboren te worden, volledig wakker te zijn. Om infantiele ideeën van grootsheid te verlaten om duidelijk je eigen werkelijke, hoewel beperkte, kracht te zien; om de paradox te kunnen aanvaarden dat ieder van ons het belangrijkste is dat er in het universum is – en tegelijkertijd niet belangrijker dan een vlieg of een grassprietje. Om van het leven te kunnen houden en toch de dood zonder angst te aanvaarden; om onzekerheid te tolereren over de belangrijkste vragen waarmee het leven ons confronteert – en toch vertrouwen te hebben in onze gedachten en gevoelens, voor zover ze echt de onze zijn. Om alleen te kunnen zijn, en tegelijkertijd ook samen met een geliefd persoon, met elke broeder op deze aarde, met alles wat leeft; om de stem van ons geweten te volgen, de stem die ons tot onszelf roept, maar niet om ons over te geven aan zelfhaat als de stem van het geweten niet luid genoeg was om gehoord en gevolgd te worden. De mentaal gezonde persoon is de persoon die leeft door liefde, rede en geloof, die het leven respecteert, zijn eigen leven en dat van zijn medemens.
(Erich Fromm, The Sane Society (1955), p.197)
EN: Mental health, in the humanistic sense, is characterized by the ability to love and to create, by the emergence from the incestuous ties to family and nature, by a sense of identity based on one’s experience of self as the subject and agent of one’s powers, by the grasp of reality inside and outside of ourselves, that is, by the development of objectivity and reason. The aim of life is to live it intensely, to be fully born, to be fully awake. To emerge from the ideas of infantile grandiosity into the conviction of one’s real though limited strength; to be able to accept the paradox that every one of us is the most important thing there is in the universe—and at the same time not more important than a fly or a blade of grass. To be able to love life, and yet to accept death without terror; to tolerate uncertainty about the most important questions with which life confronts us—and yet to have faith in our thought and feeling, inasmuch as they are truly ours. To be able to be alone, and at the same time one with a loved person, with every brother on this earth, with all that is alive; to follow the voice of our conscience, the voice that calls us to ourselves, yet not to indulge in self-hate when the voice of conscience was not loud enough to be heard and followed. The mentally healthy person is the person who lives by love, reason and faith, who respects life, his own and that of his fellow man.

-
-
AuteurBerichten
- Je moet ingelogd zijn om een antwoord op dit onderwerp te kunnen geven.