Blaadje 
Ergens in een oud bos op Midden-Aarde
‘t Licht vindt de weg door opening in kronen,
Een lichtzwaard met een zachte groene gloed
Van beukenblaadjes en van duizenden deeltjes
Die dansen, zweven in de lucht, verborgen, magisch,
Totdat ze volgeraakt zijn door de zon.
Je oog valt op een blaadje (en ik zweer het,
Het kijkt terug, nog trillend van de val)
Je pakt hem op, een blik van volle aandacht:
Het steeltje, kartelrand, systeem van aders –
Een kaart van miniwereld in je handpalm –
(het lijkt een doolhof, maar volkomen logisch)
Een miniwereld, die vanaf zijn oorsprong
Verbonden is met stromen in de takken,
In bast gehulde stam, de trage wortels.
Verbonden is met wind, terloops en spelend
Hij brengt de spetters mee van regentranen,
En helpt daarna de tranen ook te drogen
Die zachtjes fluistert over verre landen,
En soms slaat woest met honderd duizend vleugels.
Het blad weet zich verbonden met de aarde,
Met gras, met bloemen, ook die van de lente,
De zon en verder met de sterrenstelsels,
Met al dat licht en ook onmeetbaar donker,
Maar dat terzijde, wat mij ’t meest opvalt,
Is NU-verbinding met jouw universum.