De mensen van de straat, zij hebben een band en een pact – Deel 2

Wat is het toch eigenlijk allemaal goed geregeld in deze matrixrealiteit. Ja! Ik vind: iedereen moppert er maar zo over de hele tijd, maar dit mag ook wel eens gezegd worden. Hoe fantastisch is het dat er een systeem bestaat dat perfect weet op welke knoppen er gedrukt moet worden om de mens zich klein, waardeloos, machteloos en net niet echt goed te voelen, of zich niet te laten realiseren dat het om hem of haar draait? En dat daarvoor voor iedereen een ‘programma op maat’ is, dat ook weer perfect aansluit op het ‘programma op maat’ van iemand anders.

Zojuist kwam ik bij het hond uitlaten Amanda tegen, die ook haar hond aan het uitlaten was. Ze komt binnenkort nog koffiedrinken, maar ze is nu bezig de dingen op de rit te krijgen. Ze zag er behoorlijk goed uit. Zeker in vergelijking tot een paar weken geleden.

Amanda vertelde mij dat ze na ons avontuur, ’s avonds bij haar dochters thuis bezoek had gehad van ‘de crisisdienst’. Ik heb even gegoogled wat dat is, het is een dienst (als onderdeel van GGZ) van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die hulp komt opdringen. Bijvoorbeeld als je 113 hebt gebeld, ongeacht of alle medewerkers in gesprek waren of niet. (Je kunt daar dus zelf om gevraagd hebben.)

De knoppen van mijn ‘programma op maat’ werden even betast bij het lezen van wat de crisisdienst is: opgedrongen hulp, ‘dwangopname als je een gevaar vormt’. Dit is zo ongeveer my worst nightmare. Dan heb je niet meer te maken met goedbedoelende freelance therapeuten, maar met goedbedoelende fulltime hardcore therapeuten!

De mijnheer van de crisisdienst heeft goedbedoeld tegen Amanda gezegd: ‘Maar jij kunt wel dood willen, maar denk er eens aan wat jouw dochters daarvan vinden en hoe het voor hen is, als jij er niet meer bent.’ Dit had Amanda diep geraakt, vertelde ze.

De naam ‘Crisisdienst’ vind ik behoorlijk goed gekozen.
“Dingdong, voel je je alweer wat beter Amanda? Mooi, wij zijn van De Crisisdienst. We sturen een psycholoog op je dak en zelf zijn we ook behoorlijk goed in de levering van crisissen op maat. Je dacht toch niet dat het om jou ging? Haha, malle meid, je moet er voor anderen zijn. Denk eens even na, dat heb je toch al je hele leven gedaan? Daar was toch helemaal niks mis mee? Je kent die uitspraak toch wel? ‘Verbeter de wereld, begin met jezelf weggeven.’ Jij wilt toch ook een betere wereld, Amanda? Je bent een dóchter, een móéder, een vróúw! Dat zijn serieuze rollen op dit wereldtoneel, begrijp je dat?”

Amanda heeft inmiddels een afspraak gehad met een GGZ-psycholoog, maar ze gaat niet meer naar hem terug. Ze had geen klik met hem en hij wilde alleen maar een stempel drukken, zei ze. Bovendien moest ze een vragenlijst invullen en die hij haar zou toesturen, maar dat heeft hij niet gedaan. Dat zei genoeg, vond Amanda. Ze gaat nu zelf naar een hypnotherapeut.

Binnenkort begin ik een Mogelijkhedendienst. Dat is een dienst waar je vrijwillig gebruik van kunt maken en die mensen laat zien dat er meer mogelijkheden zijn dan je denkt. Je hoeft daar niet uit te leggen waarom je je net niet of helemaal niet goed voelt, want dat snap ik zo ook wel, maar het mag best als je je verhaal kwijt wil. Ik weet zelf ook hoe fijn het is, als er iemand open en met volle aandacht naar je luistert, zonder je te voorzien van kleinerend ongevraagd advies of opgedrongen hulpverlenerschap.

Ik ga niet therapeutiseren en ook geen stempels drukken, aan modellen heb ik een broertje dood. Ik ben namelijk een Therapeut van Niets. Ik heb daartoe een opleiding van Niets en ook nog zonder diploma’s.
Een fijne bouwvakker is nog even bezig aan mijn Ruimte van Niets. Hij heeft onlangs een raam in het platte dak gemaakt waardoor je heel fijn naar Niets kunt kijken (zie boven).

Niets is eigenlijk Alles
(in potentie)

P.s. Hoewel ik last heb van (bewustzijns)groepstrauma, geloof ik heel erg in Samen, maar dan in de zin van Doe-het-niet-alleen. Bram Vermeulen schreef en zong er een mooi lied over. Ik kocht zijn plaat meer dan 30 jaar geleden op de Noordermarkt in Amsterdam, bij een kraampje met tweedehands LP’s. De man van die kraam had dat speciaal voor mij geregeld. Je kunt het lied tegenwoordig ook op Youtube beluisteren. Ik zou graag willen zeggen: Play it fucking loud! En luister goed naar de allerlaatste zin. 🙂


De mensen van de straat, zij hebben een band en een pact – Zutphen, 17 september 2022

Mensen van de straat: één besloot de IJssel bij Zutphen in te lopen. Een ander wist haar daarvan te weerhouden. Mensen van de straat die elkaar niet kenden. Zij hebben een band en een pact.

Onlangs las ik hier een blog waarin geschreven werd over ‘een mens van de straat’ zijn. Ik vond dit mooi verwoord. Ik herken mij erin ‘een mens van de straat’ te zijn. Graag zou ik een pleidooi houden voor ‘de mens van de straat’ zoals in de betekenis in de blog Samen in de Samenleving.
In mijn eigen woorden: een mens die betrokken handelt in gelijkwaardigheid en in het nu-moment, als Mens binnen én in samenwerking met een ‘matrixsysteem’. Niet in verzet, maar ‘voorbij verzet’. Niet mee- of tegenbewegend, maar zelfbewegend. Niet arrogant, niet belerend en niet ‘door de strot duwend’. In respect met al het leven.

Aan de hand van wat ik dit weekend meemaakte, volgt hieronder in vorm van een chronologisch verhaal mijn pleidooi voor ‘de mens van de straat’.

Zaterdagmorgen-vroeg besloot een mens de rivier de IJssel in te lopen. Haar bril liet ze thuis, haar sieraden had ze afgedaan (voor haar dochters). Alleen haar plaatje deed ze in.

In vastbesloten gang liep zij door de uiterwaarden naar het water. Door regen en wind in haar zomerpyjama. Zij voelde geen kou, ze voelde niets meer.

Mijn partner, die net de hond uitliet, ontmoette haar (van slechts de rivier die haar moest helpen). Ze wilde niemand tot last zijn. Ze was moe, maar vastberaden.

‘Mag ik je dan alleen nog even vasthouden voor je gaat?’ vroeg mijn partner tenslotte.

Toen ik zaterdagmorgen beneden kwam, zat er een buurvrouw aan de keukentafel in een zomerpyjama. Ik wist wel wie zij was. Onlangs had ik haar bij het hond uitlaten gesproken over de mooie bloemen in haar zijtuintje die zij verzorgde en die het ondanks de droogte toch zo mooi deden. Nu wist ik ook dat ze Amanda heette.
Langzaam begon ze weer te voelen, ze had het koud. We maakten warme chocolademelk en ontbijt en haalden een vest en dekens.

Omdat ze geen telefoon bij zich had, konden we haar dochters niet bereiken (wie staat er tegenwoordig nog in het telefoonboek?). Naar haar man ging ze zeker niet terug. Waar ze heen moest, wist ze niet. Ze had wel 113 gebeld, maar daar waren alle medewerkers in gesprek geweest. Ze had de voicemail ingesproken.
(113 is een nummer waar je naar toe kunt bellen als je zelfmoord wilt plegen. Soms zijn alle medewerkers in gesprek net als jij de IJssel in wilt lopen. Misschien word je teruggebeld, maar jij neemt dan niet op.)

Ondertussen vertelde ze haar levensverhaal. Hoe ze er ooit van had genoten te koken voor de mensen in een verzorgingshuis. Hoe ze daar de bewoners bij had betrokken en hoe fijn die dat hadden gevonden. Levensvuur in haar ogen. Ze lachte zelfs.
Hoe ze steeds meer had moeten doen in minder tijd, hoe het niet meer had gegaan. De zorg voor haar man, de zorg voor haar moeder, de zorg voor haar dochters. Tot ze uiteindelijk was afgekeurd. Ze zat inmiddels al jaren thuis met haar man die nu met pensioen was en haar niet kon vasthouden. Dat was zijn trauma en misschien had hij het wel nooit geleerd.
Ze vertelde nog veel meer. Over familie en haar lieve vader die veel te vroeg was doodgegaan. En dat ze had geleerd dat je nooit ruzie moet maken.

Het best leek haar als ik naar haar dochters huis zou gaan om te vertellen waar ze was en zij haar zouden komen halen. Ze kon het hen niet aandoen daar in deze toestand aan te komen. (En hun oplettende buren ook niet, die hadden toch al zoveel meningen.)

Op het omschreven ongeveer-adres deed niemand open.

Ik reed naar het huis waar ik haar gezien had, destijds toen ze de bloemen langs haar huis verzorgde. Door het raam zag ik een vader en een dochter in bezorgde toestand. Ik belde aan en vertelde dat het inmiddels goed ging met Amanda. En dat ze bij ons thuis was en graag haar dochters wilde zien. Ze braken toen ik vertelde dat mijn partner haar met alle macht had tegengehouden de IJssel in te lopen. Ik vertelde niet dat het enige wat geholpen had, de uiterste vraag was of hij haar nog even vast mocht houden (en hij dat ook had gedaan).

De man was lief, zacht en gebroken. ‘Ik zou je wel een knuffel willen geven,’ zei ik. In een vijf minuten lange knuffel vertrouwde hij me toe dat je soms het hardst schopt tegen wat je het liefst hebt. En hoeveel hij van Amanda hield.

De politie werd gebeld, ons adres doorgegeven.

Ondertussen vlogen helikopters boven de stad en voeren boten over de IJssel op zoek naar een vrouw die niemand tot last wilde zijn en een uitweg zag in verlost worden door de onderstromen van de IJssel. Ook burgernet was ingeschakeld.

Even nadat ik met Amanda’s dochter weer thuis was, werd er aangebeld. Drie politievrouwen en een politieman stonden voor de deur in vol ornaat. We werden verhoord over hoelang we niet de politie hadden gebeld of 112 (de hele ochtend niet, het was inmiddels al middag). En waarom we dat niet hadden gedaan.
‘Wij volgden ons hart,’ zei ik. Wat waarschijnlijk ‘lief en naïef’ geklonken zal hebben en wat ook niet helemaal de lading dekt, maar wel werd begrepen.
We kregen een standje en de aanbeveling dat de volgende keer wél te doen (de volgende keer?). Geen moment was het in mijn hoofd of dat van mijn partner opgekomen om hier de politie bij te betrekken. Of dat ‘de volgende keer’ wel gaat gebeuren, weet ik niet. Onze hoofden zijn blijkbaar niet zo ‘systeemdenkerig’, maar we begrepen het wel.

Dat er mensen onnodig lang in spanning hebben gezeten over het leven van Amanda. Dat er onnodig veel mankracht en materieel is ingezet en dat er onnodig ‘burgers’ langs de IJssel hebben gezocht. Daarvan denk ik: we hebben allemaal wel eens wat. En dat is heel erg, maar ook weer niet.

Toen de politiemensen werden bedankt, antwoordde er één namens alle vier: ‘Daar zijn we voor’.
‘Wij ook’, zei ik, met mijn grootste glimlach namens de rest van ons.

Amanda heet niet echt ‘Amanda’. De rest is naar waarheid verwoord. Amanda had ook Tamar kunnen heten, of Ap (zoals mijn partner heet). Mijn partner verwoordde het naar Amanda als: ‘Wanneer je de kracht hebt om zoiets te doen, ben je ook sterk genoeg voor een andere stap. Je bent te mooi en te lief (te mens) om te gaan, je bent hier nodig.’
Zo voelden wij dat alledrie.


(Groeps)vermoeide reiziger onderweg naar huis

Ik heb in mijn leven vele mensen ontmoet die wisten wat er aan mij schortte. Zij wisten wat mij mankeerde, met welk ‘onbegrepen informatieveld’ ik nog worstelde, welk ‘traumaveld’ ik ‘nog niet had omgedraaid’ en ga zo maar door. Ik heb zelfs te maken gehad met iemand die mijn ‘stroom’ wel even wilde ‘versnellen’ of iemand die alleen al aan mijn ogen kon zien, wat er precies in mij omging. Ook las ik artikelen van mannen die precies weten hoe het bij vrouwen zit en ook bij mannen (namelijk veel beter dan bij vrouwen), onlangs nog op deze site.
Wat ik altijd al wist en steeds beter weet, is dat zij die het zeiden te weten, weten het maar al te vaak niet. Niet voor mij. Niet voor mij als vrouw. Niet voor mij als partner, moeder, zus, (schoon)dochter, brongenoot, buur, … en niet voor mij als mens. Ik ben de enige die dat weet of kan weten.

Ik weet niet of jij dit ook weet.

Op mijn beurt, weet ik niet welk gevecht jij voert in jezelf. Ik weet niet of jij meer of minder getraumatiseerd bent dan ik. Daar meer of minder werkelijk naar gekeken hebt dan ik. Ik weet niet wat jij denkt, ik weet niet wat jij voelt, ik weet niet wat jij allemaal hebt meegemaakt. Ik weet niet hoe jij elke morgen de dag tegemoet treedt of hoe je nacht was. Ik weet niet hoe groot, sterk en heftig de aanvallen zijn die jij of een ander zegt te hebben ervaren. Ik weet niet of ze groter, sterker en heftiger zijn dan die van mij.
En of dat er wat toe doet.
Ook niet of daar meer of minder buitenaardsen bij aanwezig of betrokken zijn dan bij mij.
En of dat er wat toe doet.

Wat ik weet, is dat als ik denk te weten dat ik het weet over jou of een ander, dat ik dan een invulling doe en mogelijk projecteer.

Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe iemand die ik zeer nabij ben, zeer lief heb en die ik al meer dan mijn halve leven lang ken, te maken had met intense diepe pijn. Ik zou het zijn oertrauma kunnen noemen. In zijn nabijheid leek het of ik kon voelen wat hij voelde, niet inhoudelijk, maar in energie-intensiteit. Het voelde groot, intens, diep, maar weten wat het precies was, deed ik niet. Ondanks de woorden die hij eraan gaf, helemaal precies begrijpen waar hij doorheen ging, deed ik niet. Oplossen kon ik het niet. Voorkomen dat hij er steeds weer in raakte ook niet. Met schoonheid en ‘samen’ en ‘wij allemaal’, had het niets van doen, noch met de vraag uit welk universum hij komt.

Ik ben zelf ook door diepe pijnlagen gegaan. Heb lichamelijke sensaties gehad die angstaanjagend waren. Over de grond gekronkeld van de pijn, de wanhoop in de ogen gekeken. Met schoonheid en ‘samen’ en ‘wij allemaal’, had het niets van doen, noch met de vraag uit welk universum ik kom.
Iemand die mij zeer nabij is, mij zeer lief heeft, en mij al meer dan zijn halve leven kent, kreeg daar veel van mee. Hij kon het niet voor mij oplossen, noch verzachten. Wat ik precies voelde, begreep hij niet. Maar ruimte gaf hij wel. Ruimte aan wie ik was. Wezenlijk.

Wezenlijk verschillen wij niet van elkaar. Wezenlijk is er geen verschil tussen hem en mij. Wezenlijk is er misschien ook geen verschil tussen jou en mij. Waarschijnlijk heb jij ook wel eens te kampen met gevoelens van onzekerheid, niet gehoord of gezien zijn, onmacht, ergernis, woede, onrechtvaardigheid, eenzaamheid, of welk (onbeschrijflijk) en intens gevoel dan ook. Waar jij dat precies aan relateert, weet ik niet.

De laatste tijd denk ik vaak: groepen, daarin hoor ik niet thuis en een ‘mensenmens’ ben ik ook al niet. Het best voel ik mij met mijn hond in de natuur met wie en waar ik deze blog nu schrijf (nou ja, zijn bijdrage is vooral ‘space holden’ en heel erg blij zijn).
Ik moest net denken aan toen eens, tijdens een groepstribunaal van bewuste mensen waarvoor ik – boven in de bergen van Marokko – terecht kwam, het oordeel luidde: ‘jij bent iemand met een gebruiksaanwijzing die ik niet kan vinden.’

Mijn enige gebruiksaanwijzing is: geef mij een beetje ruimte voor wie ik wezenlijk ben, dan ben ik op mijn mooist (en sorry als er ook wel eens een beetje shit meekomt). Misschien is dat wel een universele gebruiksaanwijzing, dus ik geef het ook aan jou. Het zou kunnen dat jij dan ook op je mooist bent.
Dwing mij niet jou of iemand anders te volgen, jou of degene die jij volgt als méér te zien dan mezelf. Beleer mij niet met kennis die niet uit jezelf komt. Ik kan het niet horen. Het is verspilde moeite en misschien wel meer dan dat.

En voor de rest voel ik in mijzelf wat ik zelf voel en zelf weet, zelf ontdek.

Ik laat mij graag inspireren, maar vertel mij niks over mij. Hoop niet dat ik iets ‘later ook als een cadeau kan zien’ (prima als jij dat doet). Denk niet dat je mij ‘moet redden’ of gered hebt. Maak mij niet tot slachtoffer, zodat jij je beter of zelfs een held kunt voelen.

Ik vind het leuk als je mij vraagt hoe het met me gaat, maar stel mij geen vragen die je geleerd hebt te stellen op een van de vele therapeutische opleidingen die je gedaan hebt en die lijken alsof je een open vraag stelt, maar eigenlijk iets moeten bevestigen dat jij al besloten hebt te weten over mij (nu moet ik het alleen nog maar zeggen en weet jij je bevestigd in iets wat niet waar is of waar hoeft te zijn.) Wat gebeurt er als wij hier beiden niet bewust van zijn?

Geef mij ruimte, ik geef het jou.
En ja, ik ga ook wel eens de mist in. Mijn intentie is daarop terug te komen, daar open in te zijn, dat in mijzelf te zoeken. Als er oorlog is, vrede met mijzelf en met jou te sluiten. Te vergeven door te weten dat wij elkaar misschien niet begrijpen, maar dat wij niet wezenlijk verschillen. Als het goed is, graven wij van twee kanten.

Ik ben als mijn hond.
Ik wapper mijn lijf los.
Mijn cellen trillen open.
Het mag er meteen (of nu alsnog) weer uit.
Het dient me niet.
Het is niet van mij.

En toch bedankt, hoor.
Voor alles.


P.s. Aan alle freelance-therapeuten met wie ik te maken had:

Lief en mooi mens,
Dat je me ongevraagd gediagnosticeerd hebt en me daarmee gepoogd hebt te kleineren in plaats van behulpzaam en betrokken te zijn met het in mijn kracht komen (zoals je misschien dacht te doen), dat vind ik wél heel erg, maar ik neem het je niet kwalijk.

Wij zijn allen even ‘ver’.
Even ver van huis.